Breitermen woordenboek
Breipatronen staan vol afkortingen en vaktermen die je in het begin niet meteen begrijpt. In dit woordenboek vind je de complete lijst met Nederlandse breitermen en afkortingen, helder uitgelegd, zodat je nooit meer vastloopt halverwege een patroon. Kom je een Engelse term tegen? Ook die vind je hieronder.
Veelgebruikte afkortingen
In Nederlandse patronen kom je deze afkortingen het vaakst tegen. Een sterretje (*) of haakje markeert een stukje dat je herhaalt.
| Afkorting | Betekenis |
|---|---|
| r | recht breien (rechte steek) |
| av | averecht breien (averechte steek) |
| st / st(n) | steek / steken |
| nld | naald |
| rij / rnd | rij / ronde (bij breien in het rond) |
| 2 sam.br. | 2 steken samen breien (minderen naar rechts) |
| ovh | overhalen (minderen naar links, Engels: ssk) |
| omsl | omslag (meerderen met een gaatje) |
| M1 | 1 steek meerderen (make one) |
| herh | herhaal |
| dpn | sokkennaalden (double pointed needles) |
| GK / VK | goede kant / verkeerde kant (Engels: RS / WS) |
| alt | om en om / afwisselend |
| tot. | totaal |
Begrippen van A tot Z
Afkanten (afhechten)
De laatste rij van je naald halen zonder dat je werk uitrafelt. Je trekt steeds de ene steek over de andere, tot er één lus overblijft waar je de draad doorhaalt.
Blocken (spannen)
Je afgewerkte breiwerk natmaken of stomen en op maat vastspelden, zodat de steken gelijkmatig worden en het werk mooi in model komt. Vooral belangrijk bij tricot en kant.
Boordsteek
Een elastische steek waarbij je rechte en averechte steken afwisselt (1 om 1 of 2 om 2). Gebruikt voor manchetten en boorden. Lees meer.
Fair isle
Kleurwerk waarbij je binnen een rij met twee (of meer) kleuren werkt en de niet-gebruikte draad losjes op de achterkant meevoert. Geeft de bekende Scandinavische en Noorse patronen.
Gauge (stekenverhouding / stekenproef)
Het aantal steken en rijen per 10 × 10 cm. Bepalend of je werk op maat komt. Controleer het altijd met een proeflapje en reken uit met onze stekencalculator.
Goede / verkeerde kant (GK / VK)
De goede kant is de voorkant van je werk zoals hij bedoeld is om gezien te worden; de verkeerde kant is de achterkant. In het Engels: RS (right side) en WS (wrong side).
Hiel keren
De techniek met korte rijen waarmee je bij het sokken breien een hoek maakt waar je hiel in past.
Intarsia
Kleurwerk met grote kleurvlakken (zoals een motief op een trui), waarbij je per vlak een apart bolletje gebruikt en de draden op de grens in elkaar draait. Anders dan fair isle worden de draden niet meegevoerd.
Kabel
Een in elkaar gedraaide streng steken, gemaakt door een groepje steken in een andere volgorde te breien met behulp van een kabelnaald. Kenmerkend voor Aran-truien.
Korte rijen
Rijen die je niet helemaal afbreit maar halverwege keert, om plaatselijk hoogte toe te voegen — bijvoorbeeld voor een hiel of een schouder. Ook wel 'keren' genoemd.
Maassteek (Kitchener stitch)
Een techniek om twee rijen levende steken naadloos aan elkaar te weven met een wolnaald. Vooral gebruikt om de teen van een sok plat en onzichtbaar te sluiten.
Magic loop
Een manier om kleine buisjes in het rond te breien op één lange rondbreinaald, in plaats van met een set sokkennaalden.
Minderen
Het aantal steken verkleinen, bijvoorbeeld door twee steken samen te breien (2 sam.br.) of over te halen (ovh). Zo maak je je werk smaller.
Meerderen
Het aantal steken vergroten, bijvoorbeeld met een omslag, een M1 of door uit één steek er twee te breien. Zo maak je je werk breder.
Omslag (yarn over)
De draad extra om de naald slaan om een steek erbij te maken. Laat een klein, decoratief gaatje achter — de basis van ajour- en kantwerk.
Opzetten
De allereerste rij steken op je naald leggen. Het fundament van elk breiwerk. Zo doe je dat.
Proeflapje (swatch)
Een klein testlapje dat je breit om je gauge en de kleur te controleren voordat je aan het echte werk begint.
Ribbelsteek (garststeek)
Elke rij recht breien. Geeft een stevig, dubbelzijdig breiwerk met horizontale ribbels dat niet omkrult — ideaal voor beginners.
Rondbreien (in het rond)
Breien in een spiraal of gesloten ronde op een rondbreinaald of sokkennaalden, zonder om te draaien. Zo maak je naadloze buisvormen als mutsen en sokken.
Steek laten vallen
Een steek die per ongeluk van de naald glijdt en dreigt uit te rafelen ("laddertje"). Met een haaknaald werk je hem weer omhoog.
Superwash
Een behandeling die wol machinewasbaar maakt door de schubben op de vezel te verzegelen, zodat de wol niet vervilt. Vaak gebruikt voor sokkenwol en babygaren.
Tricotsteek (jersey)
Rechte en averechte rijen afwisselen. Geeft de gladde 'v-tjes'-kant die je van truien kent. Krult van nature om aan de randen.
Zaadsteek (rijststeek)
Een gestippelde steek waarbij je recht en averecht afwisselt en in de volgende rij verspringt. Blijft plat liggen en ziet er verzorgd uit.
Termen begrepen? Ga breien
Nu je de taal van het breien spreekt, kun je elk patroon aan. Kies een project en begin, of frissen je steken op.